Main Menu

Fat Eddy Band

Bron; de Volkskrant van Vrijdag 11 juni 1982

Ze willen aan niemand verantwoording schuldig zijn.

De teksten zijn Maleis maar als het moet ook Engels, zonder concessies.

Ineke Jungschleger over de H-Gang, een strijdbare popgroep

 

“Een molukse popgroep die succes heeft zonder hoerig te zijn”

De popgroep heet naar de jongensclub waaruit hij is voortgekomen: H-Gang. De gang die bijeen kwam in de brandgang van de Prins Hendrikstraat in de molukse wijk van Oost-Souburg, Zeeland. Bij de vredesmanifestatie van 21 november hebben ze gemerkt dat popmuziek verbindend kan werken. Ze deden mee, als enige Molukse groep, en traden samen met Bram Vermeulen en de Toekomst op. Hun teksten zijn stuk voor stuk politieke stellingnamen: over werkloosheid en discriminatie in Nederland, over de “fascistische politiek van Suharto” in Indonesië. Zij zingen afwisselend in het Maleis en in het Nederlands. In de stroom van opnieuw opkomende “Nederpop”hebben zij zich in de negen maanden van hun bestaan onderscheiden van de andere jonge groepen door hun bijzondere stellingname als Molukkers. “Zij brengen voor de Molukse jeugd zoiets als een alternatief voor het RMS-ideaal,” zegt Rob Siegers, de man die de laatste maanden zijn apparatuur aan de H-Gang verhuurt en die zelf gaat installeren bij al hun optredens. “Ik zeg de laatste tijd mijn andere afspraken af om met hun te kunnen werken. Ze zijn heel streng voor zichzelf, héél gedisciplineerd. Ik zie ze in snel tempo steeds professioneler worden.” Rob Siegers is ook van Molukse afkomst, maar heeft zich door een afwijkende opvoeding anders ontwikkeld dan zijn leeftijdgenoten die in de Molukse gemeenschappen zijn opgegroeid. “Toen mijn ouders in Nederland kwamen, wilden zij niet in een Molukse wijk wonen. Zij hebben de instanties ervan weten te overtuigen dat zij gewone Nederlanders wilden worden. Anders hadden we net zo goed daar kunnen blijven, zeiden ze. Zo hebben we dat voor elkaar gekregen dat ze vanuit het opvangkamp naar een gewoon huis in Zaandam konden gaan. Ik ben dus met Zaandamse kinderen opgegroeid. Mijn ouders hebben vanaf het begin af aan Nederlands met ons gesproken. Ik bewonder hen daar erg om want die omschakeling moet heel erg moeilijk geweest zijn. Nu nog trouwens: als ze emoties te verwerken hebben, vervallen ze in het Maleis.” Sinds hij met de H-gang optrekt, vindt Rob Siegers het jammer dat hij geen Maleis spreekt. Het gevoel  “ook een Molukse jongen” te zijn bekruipt hem in hun nabijheid steeds meer. “ Het spreekt me enorm aan wat zij doen.” Hij is zich ervan bewust dat het missen van het Maleis de consequentie is van de maatschappelijke voorsprong die hij nu heeft. “Als mijn ouders het niet zo drastisch hadden aangepakt, dan had ik niet de opleiding en de kansen gehad die ik nu heb.” Hij is tandtechnicus van beroep. Het investeren en verhuren van geluidsapparatuur doe hij erbij. Behalve de instrumenten waarop ze spelen, bezit het collectief van de H-gang zelf niets. De meeste van hen zijn werkloos. Van hun uitkering kunnen ze geen versterkers of een autobusje bij elkaar sparen. Het geld dat ze sinds kort met hun optredens verdienen, wordt gespaard met als eerste doel een eigen busje. Op langere termijn willen ze zo mogelijk geld gaan besteden aan het opzetten van kindertoneel. Om hun eigen kinderen spelenderwijs vertrouwd te maken met hun ideologie en om blanke kinderen te laten zien wat gekleurde te vertellen hebben. “Mijn kind moet opgroeien als een zelfbewust kind dat zich niet laat discrimineren om z’n donker uiterlijk,”zegt slaggitarist Roy Wannée, vader van een peutertje. “Toneelspelen is een heel goede manier om kinderen te leren de dingen die belangrijk zijn op de juiste manier onder woorden te brengen. Roy, 26 jaar, is zich sinds hij op zijn twintigste voor het eerst naar Indonesië is geweest, bewust geworden dat hij zich als Indische Nederlander nooit een “gewone”Nederlander zal kunnen voelen. “Door het verschil van daar geweest te zijn, onder alleen maar mensen die er net zo uitzien als ik, weet ik nu zeker dat ik me hier een gastarbeider voel. Zo worden wij ook gezien. Wij staan in hetzelfde boek als de Turken en de Marokkanen in Nederland. De Surinamers ook. Op een andere bladzijde, maar wel in hetzelfde boek.”

Dat betekent onder meer; rekening houden met steeds ernstiger vormen van rassenhaat naarmate de economische situatie in Nederland slechter wordt. Njonky Pattinama, zanger en een van de zakelijke leiders van de H-gang: “wij kennen de verhalen uit de jaren dertig en wij zijn natuurlijk als de dood dat dit zich zal herhalen. Er zijn nu ook al genoeg tekenen dat de schuld van de werkloosheid wordt afgeschoven op gekleurde minderheden. De vreemdelingenhaat die in de jaren dertig zulke vreselijke gevolgen gehad heeft, speelt weer volop. “Maar wij laten ons niet meer wegsturen. Dat nooit meer! En wij laten ons ook niet gebruiken om met rassentegenstellingen de aandacht af te leiden van wat er werkelijk gebeurt. Als de rechtse blanke hoek zegt: het ligt aan de gekleurde import dat er werkloosheid is en de gekleurde minderheden roepen: het is de schuld van het blanke imperialisme, dan leidt dat er hooguit toe dat we mekaar afslachten. Verder komen we er niet mee, want de werkelijke economische crisis blijven op die manier toegedekt. En de rijken varen er wel bij, want die blijven rijk, terwijl de armen armer worden. Waarom is dat zo? Dat moet de Hollandse jongen die werkloos is in Groningen zich net zo goed afvragen als de Molukse jongen in Oost-Souburg. We zijn allemaal werkloos en als we niet uitkijken worden we allemáál voor de domme gehouden.”

Als de regering jullie zou vragen: wat moeten we doen om speciaal de Molukse jongeren in Nederland verder te helpen, wat zou je dan adviseren?
Njonky: “Het is moeilijk antwoorden op zo’n fictieve vraag. Ik denk dat we dan toch weer zouden komen bij een speciaal potje voor een werkgelegenheidsproject of zo voor Molukse jongeren. Maar wat schiet je daar mee op? Door iets moois te doen voor een paar Molukkers, los je de jeugdwerkloosheid niet op. Laat de overheid zich nou maar met de grote lijnen bezighouden. De rest doen we zelf wel.”
De speciale potjes voor Moluks jongerenwerk, als reactie op de kaping kwistig rondgedeeld, interesseren de H-gang niet. “We willen aan niemand verantwoording schuldig zijn. Dat kan alleen wanneer we ons zelf bedruipen, als collectief. We willen commercieel werken, maar wel op onze manier. Niet als andere popgroepen die precies doen wat een platenmaatschappij ze wil laten doen. Het is mooi dat Nederlandse teksten nu weer in de belangstelling zijn in de pop, maar weet jij hoe lang dat zal aanhouden? Als voor het maken van een plaatje Engels beter in de markt zou liggen, nou, dan maken we die tekst in het Engels. Maar wel ons soort tekst, zonder concessies. En de opbrengst zou dan zijn om het kindertoneel van de grond te krijgen.” Over de kapingen: “Daar hebben wij als groep geen oordeel over te geven. De geschiedenis zal daarover oordelen. Het enige dat voor ons vaststaat is, dat het de meningsvorming  onder de Molukkers versneld heeft. Ten gevolge van de kapingen kreeg je duidelijke stellingnamen binnen de Molukse gemeenschap. Wat wij nu doen, deze vorm van protest met culturele middelen, is het vervolg op wat tien jaar geleden met wapens gebeurde. Wij hebben daarvan geleerd en we hebben ons verder ontwikkeld.
Njonky Pattinama was als werkloos bouwvakker destijds aangesloten bij het “gewapend verzet van Wassenaar”. De gevolgen van het geweld hebben hem aan het denken gezet en hij is zijn weg gaan zoeken in de ideologieën van de internationale bevrijdingsbewegingen. Verschillende van de oudere leden van het Zeeuwse collectie (de oudste is 31, de jongste 16) maakten een soortgelijk ontwikkeling door.
Hetzelfde geldt voor de grondleggers van het Scholingscollectief Assen, een linkse groepering die direct na de kapingen ontstond als anti-RMS- groep en nog steeds probeert het RMS-ideaal van de stichting van een onafhankelijke Zuid-Molukse republiek door te prikken door de aandacht te vestigen op de werkelijke situatie in Indonesië, die aanzienlijk minder romantisch is dan de Molukse ouders vanuit hun heimwee hun kinderen willen doen geloven.
Sam Pormes, woordvoerder van het Scholingscollectief, is zaterdag 5 juni met een man of dertig in een bus uit Assen gekomen om de conferentie tegen de Nederlandse wapenleveranties aan Indonesië bij te wonen in Amsterdam. De H-gang treedt er op, `s avonds, tot besluit van de dag, en een paar woordvoerders van het Zeeuwse collectief doen mee aan de discussie met belangstellenden uit politieke partijen en vakbond, georganiseerd door het Indonesië Comité.
Pormes: “ Wat deze groep doet, dat is strijdcultuur. Eindelijk een Molukse groep die succes heeft zonder hoerig te zijn, Massada en de andere Molukse muzikanten, die hebben niets te maken met een eigen cultuur. Dit collectief uit Zeeland wel. Niet voor niets hebben wij hen uitgenodigd bij onze eigen manifestatie, de schijnverkiezingen van 10 april die we organiseerden om de aandacht te vestigen op de verkiezingen in Indonesië. Door de  H–Gang op te laten treden, beken je kleur, verlaat je de traditionele stellingen. De ouderen zijn er niet negatief over. Er waren heel wat ouderen bij de manifestatie van 10 april, maar ik heb weinig afkeurende geluiden gehoord.”
De welwillende belangstelling van de oudere Molukkers, vaak toch in heftige generatieconflict met hun kinderen, valt te verklaren uit het feit dat de H-gang niet op zichzelf staat, maar voortkom uit hetzelfde collectief van ongeveer 40 mensen dat ook een koor en een toneelgroep in stand houdt. Het koor zingt zowel traditionele Molukse liederen als nieuwe liederen die aansluiten bij een internationale strijdcultuur. De toneelgroep koppelt oude Molukse legenden aan moderne sociale problemen. Bij een optreden in het Kruithuis in Groningen, onderdeel van de stadsschouwburg daar, is me al duidelijk geworden hoe één en ander overtuigend door elkaar loopt. Acteurs die `s middags in gebatikte lendendoek in het Maleis de oude legende over hongersnood en verdriet vertolkt, blijken zich `s avonds omgetoverd te hebben tot modieus ogende popzangers die felle teksten de zaal in slingeren. Op die onweersachtige middag en avond in mei was het Kruithuis tot de nok gevuld met voornamelijk Moluks publiek. De oudere vrouwen zonder uitzondering in sarong en kabaja, de jongere in spijker en discomode. Tijdens het toneelstuk wordt zowel op het podium als in de zaal zachtjes gehuild. In de foyer verkoopt een Molukse familie Indisch eten en zelfs de kleinste kinderen mogen laat opblijven. Twee weken later, op de dag van het Indonesië Comité in Amsterdam, is het publiek voor het merendeel Hollands. Veel van de aanwezigen blijken Maleis te verstaan. Er wordt geluisterd en gedanst. Er is een oude heer aan wie ik vraag of hij de vader is van één van de leden van het Zeeuwse Collectief. Nee, hij is de schilder Basuki Resobowo, die als politiek vluchteling in Nederland verblijft. Ken ik hem dan niet? Inderdaad ik ken hem van een interview dat in deze krant gestaan  heeft. Zij zijn er trots op dat Basuki Resobowo bij dezelfde gelegenheid verschijnt als zij, zeggen de jongens van de H-gang. Resobowo over hen: “Ik hou van wat deze jongens doen omdat het uit een nieuwe geest komt. Zij zijn de kinderen van de RMS, maar zij brengen een nieuw ideaal.”
Sluiten zijn aan bij de oppositie in Indonesië?
“ Wat mentaliteit betreft wel, wat doelstellingen betreft niet. Van de concrete doelstellingen kunnen zij zich geen voorstelling maken omdat zij in Nederland zijn opgegroeid.”
Roy Wannee: “de derde wereld is voor ons geen ver-van-je-bed-show. Onze familie vraagt steeds of we geld sturen. Waarvoor moeten ze dat geld dan hebben vragen wij ons natuurlijk ook af. Nou, om de dokter te betalen, want een ziekenfonds is er niet. Of de schuld aan de woekeraar, die tegelijk dorpshoofd is. Nee, wat ik met mijn eigen ogen gezien heb op Ambon en andere Indonesische eilanden is heel wat minder mooi dan de vakantieverhalen die we altijd gehoord hebben.”

 

                                                                                                                                                                                INEKE JUNGSCHLEGER